Wenen

 

 

Bösendorfer-Saal

 

 

Bricht-Pyllemann, Agnes (1868-1950)

     Agnes Bricht-Pyllemann was een vooraanstaande Weense concert- en liedzangeres. Zij was een jaarlijkse gast in de door concert-directie Albert Gutmann georganiseerde 'Liederabende'. Haar echtgenoot was Balduin Bricht, muziekcriticus van de Österreichische Volkszeitung. De Amerikaanse componist Walter Bricht (1904-1970) was hun zoon: hij verliet Wenen in 1938 voor de anti-semitische dreiging en emigreerde naar de Verenigde Staten.

   Agnes'  vader Franz Pyllemann (1841-1873) was afkomstig uit een muzikale familie in Berlijn. Op reis in Hongarije ontmoette hij in Nagy Kanisza de zestienjarige Eugenie Prager, met wie hij al snel in het huwelijk trad. Na enige tijd verhuisde het paar naar Wenen, waar Franz criticus van het Salonblatt en muziekleraar werd. Brahms behoorde tot zijn vriendenkring. Wanneer hij op bezoek was, speelde hij piano vierhandig met de kleine Agnes.

   Agnes had pianoles van Karl Maria von Bocklet (1801-1881), die nog met Beethoven en vooral Schubert in verbinding had gestaan, en daarna van de befaamde leraar Theodor Leschetizky (1830-1915). Reeds als dertienjarige verzorgde zij een piano-optreden. 

   Zang studeerde zij bij Rokitansky. Ik neem aan dat dit Viktor is, voormalig professor voor zang aan het Konservatorium der Gesellschaft der Musikfreunde en auteur van het boek Über Sänger und Singen (1891), al was ook diens broer Hans zangleraar.

   In 1907 en 1909 voerde Agnes Bricht-Pyllemann in Wenen zes liederen van Schlegel uit: opus 20 no.4, 5, 6, 7 & 10 en opus 24 no.1. Schlegel droeg zijn vier liederen opus 22 aan haar op, maar ik heb niet kunnen achterhalen of zij die ook uitgevoerd heeft.

 

Programma van de Lieder-Abend door Agnes Bricht-Pyllemann en Richard Pahlen op 12 januari 1907 in de Bösendorfer-Saal in Wenen.

Het bevindt zich in het Schlegel-archief (NMI) en komt uit de nalatenschap van Schlegel. De opmerking "das einzige Bis-verlangte Lied" is met potlood op het programma geschreven.

 

22 juli 2013

 

 

Epstein, Julius

 

 

Gänsbacher, Josef

 

 

Gesellschaft der Musikfreunde

 

 

Gutmann, Albert (Konzert-Direktion)

     Albert Gutmann (Wenen 1852- Wenen 1915) speelde een bijzonder belangrijke rol in het Weense muziekleven. Hij had een muziekhandel, was uitgever, en bewandelde als concertorganisator zeker niet de gebaande paden. Zijn 'k.k. Hof-Musikalienhandlung' had hij in 1873 in de Hofoper geopend. Zij zou ook als kaartverkooppunt voor de door zijn agentschap georganiseerde concerten gaan funktioneren.

   Gutmann heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de uitbouw van de symfonische concerten in Wenen, maar is vooral belangrijk om wat hij op het gebied van de kamermuziek en de liedkunst bereikt heeft. Zo startte hij in 1886 een serie 'Liederabende', die meteen veel weerklank bij het publiek vond, evenals zijn kamermuziekconcerten, waarbij hij er niet voor terugschrok (nog) niet bekende musici en componisten te programmeren. Hij was lid van de Wiener Tonkünstler-Verein, waarvan zijn goede vriend Johannes Brahms erelid was, tegelijk van de 'Akademische Wagner-Verein', en daarnaast ook van de 'Gesellschaft der Musikfreunde'. Wanneer hij in 1898, bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van inmiddels 'Firma K.u.K. Hof-Musikalienhandlung und Konzertbüro Albert Gutmann', een concert organiseert, schrijft de Wiener Abendpost: "Von dem Gesellschaftskonzerte komme ich zu dem Konzerte, welches Albert Gutmann der Wiener Gesellschaft gegeben hat, um den fünfundzwanzigjährigen Bestand seines Geschäftes würdig zu feiern. Das Brutto-erträgnis, welches die Summe von 10.000 Kronen überstieg, wurde von dem Veranstalter den armen Wiens und der freiwilligen Rettungsgesellschaft gewidmet. Die hervorragendsten Künstler und Quartett-Gesellschaften waren aus allen Weltgegenden, zum Teile nur für den einzigen Tag, herbeigeeilt und halfen humanen Sinnes Herrn Gutmann, ihrem Freunde, Berater, Entdecker, Führer zu dem schönen Zwecke" (geciteerd naar: Andreas Holzer, 'Die "Konzert-Direktion Gutmann" ', in Dokumente des Musiklebens, Heft 7, Wien September 1999). Gutmann heeft zijn ervaringen vastgelegd in zijn boek Aus dem Wiener Musikleben. Künstlererinnerungen 1873-1908 (Wien 1914).

   Vanaf 1907 werd de concert-directie (dus niet de muziekhandel en de uitgeverij) geleid door Hugo Knepler (Wenen 1872 - Auschwitz 1944). Vanaf het seizoen 1912/13 werd de naam gewijzigd in 'Konzertdirektion Gutmann (Inhaber: Hugo Knepler)'. Tot 1931 bleef zij het grootste agentschap van Wenen.

   Konzert-Direktion Albert Gutmann heeft vele concerten georganiseerd waarin muziek van Schlegel werd uitgevoerd. Men raadplege hiervoor in de Bibliotheek  'Gedocumenteerde uitvoeringen tijdens Schlegels leven, II: 1901-1913'.

15 juli 2013

 

 

Kalbeck, Max

 

 

Katholický, Marie, geb. Soffé (1849-1931)

     Marie Katholicky-Soffé werd in 1849 geboren in Brünn/Brno en overleed daar in 1931. Zij was decennialang een van de toonaangevende persoonlijkheden in het culturele leven van de stad, respectievelijk binnen de Duitstalige gemeenschap ervan.

   De Moravische hoofdstad Brno was binnen het Habsburgse Rijk officieel Hauptstadt des Südmährischen Kreises. Rond 1900 gold tweederde van de bevolking als Duitstalig. Lange tijd stond het culturele leven van de Duitse gemeenschap dan ook op een hoger niveau dan dat van de Tsjechische bevolking. Dat uitte zich onder meer in de oprichting van een Musikverein in 1862 en in 1882 van een Kammermusikverein. Ook de Brünner Philharmoniker wortelden in de Duitse gemeenschap. Concerten vonden meestal plaats in de Redoute, vanaf 1891 in het Deutsche Haus. De Tsjechische bevolking participeerde hierin voor zover mogelijk.

   Vanaf 1860 organiseerde de zangvereniging Beseda brnenska patriottische bijeenkomsten, sinds 1873 in het Beseda-huis, die uiteindelijk leidden tot een hoge vlucht van de Tsjechische concertactiviteiten, vooral dankzij de onweerstaanbare impulsen van Leos Janacek. De polarisatie tussen de nationaliteiten nam geleidelijk toe (de overlevering wil dat Janacek nooit een concert in het Deutsche Haus bezocht heeft), met als tragisch dieptepunt uiteraard de door het Habsburgse leger bloedig neergeslagen manifestatie voor de oprichting van een Tsjechische universiteit in 1905, die Janacek aanzette tot het componeren van zijn pianowerk Van de straat op 1 oktober 1905.

   Na de eerste wereldoorlog zal de uit Moravië afkomstige en door Janacek zeer bewonderde Tomás Masaryk de eerste president van de democratische republiek Tsjecho-Slowakije worden. De (Tsjechische) Universiteit in Brno is naar hem vernoemd. De Janacek Muziekacademie is er al ruim een halve eeuw gevestigd in het voormalige Deutsche Gymnasium (1862), gebouwd door de Weense architecten Eduard van der Null (1812-1868) en August Siccard von Siccardsburg (1813-1868), die in Wenen in diezelfde tijd de Opera bouwden.

     Ook het muziekleven van de Duitse gemeenschap is sterk op Wenen georiënteerd. Marie Katholicky heeft er gestudeerd bij Julius Epstein. Het is duidelijk dat zij vanuit Brünn een drukke correspondentie onderhoudt. Alleen al de Österreichische Nationalbibliothek in Wenen, die een deel van haar nalatenschap beheert, bezit 715 aan haar gerichte brieven van 165 verschillende afzenders. Een kleine 150 daarvan zijn afkomstig van Julius Epstein, maar ook een groot aantal van de Weense pianiste en pianolerares Marie Baumayer (1851-1931), die muziek van Schlegel op haar leerlingenavonden laat spelen. Het is tekenend hoe zij in 1930, op bijna tachtigjarige leeftijd, aan Marie Katholicky schrijft over de door Clemens Krauss gedirigeerde Weense première van Alban Bergs Wozzeck: "Glänzend aufgeführt, häßlich zum großen Teil in Klang, aber doch fesselnd durch den großen einheitlichen Zug, der durch das Ganze geht, schöne Bilder, große Tragik. ... bei mancher Derbheit nicht Gemeines. Musik in unserem Sinne darf man nicht suchen, nicht erwarten."

   Tot de overige adressanten behoren, om me te beperken tot een aantal pianisten: Anton Rubinstein, Eugen d'Albert, Bernhard Stavenhagen, Emil von Sauer, Édouard Risler, Paul Wittgenstein, Wanda Landowska en Wilhelm Backhaus. Verder drie Weense zangers die liederen van Schlegel hebben uitgevoerd: Adele Reissenberger-Umling, Agnes Bricht-Pylleman en Max Ulanowsky, benevens de Weense zangpedagoog Josef Gänsbacher. Daarnaast is er correspondentie met pianofabrikanten als Bechstein, Bösendorfer en Blüthner over het inbouwen van een Janko-klaviatuur, over een speciale lessenaar voor pianino's (er bevindt zich zelfs een Patent-Anmeldung in het archief) en over een kinderpedaaltje.

   Klaarblijkelijk had Marie Katholicky de mogelijkheid om op korte termijn concerten te organiseren. Zo vraagt Adele Reissenberger-Umling in een brief van 31 januari 1910, op suggestie van Mandyczewski, naar de mogelijkheid in Brünn op te treden en dankt zij in een brief van 6 februari voor de organisatie van het zeer geslaagde concert.

     Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Marie Katholicky via haar Weense relaties (wellicht Epstein zelf) op het spoor van Schlegels Suite opus 4 gekomen is. In ieder geval heeft zij het stuk door twee verschillende leerlingen laten uitvoeren. In 1910 door Hedwig Hickl in de Musikvereinsschule, waaraan zij sinds 1887 als 'erste Lehrerin' verbonden was, en in 1911 door Henriëtte Bittner in het Deutsche Haus. Over een persoonlijk contact tussen haar en Schlegel is mij niets bekend, wel bevinden de programma's van de twee studentenconcerten zich in Schlegels nalatenschap.

13 november 2007

 

 

Löwe, Ferdinand (1865-1925)

     Ferdinand Löwe, geboren en gestorven in Wenen, was een leerling van Anton Bruckner. Hij heeft veel gedaan om het werk van zijn leermeester te verbreiden en schrok er niet voor terug veranderingen in diens muziek aan te brengen in de overtuiging dat die Bruckners composities toegankelijker zouden maken. Hij was leraar aan het Konservatorium der Gesellschaft der Musikfreunde en van 1919 tot 1922 de directeur ervan. Sinds 1909 was deze instelling overigens genationaliseerd tot de k.k. Akademie für Musik und darstellende Kunst.

   Als dirigent was Löwe in München en Wenen aktief. In de Zuidduitse stad in de begintijd van het in 1896 opgerichte Kaim-Orchester, waar hij van 1908 tot 1914 zou terugkeren. In die periode, meer bepaald in 1911, veranderde het orkest zijn naam in Konzertvereins-Orchester (nog later werd het de Münchner Philharmoniker). Het orkest had in die tijd een sterke band met Gustav Mahler: die dirigeerde er in 1901 en 1910 de eerste uitvoeringen van zijn vierde resp. achtste symfonie. En in 1911 hield Bruno Walter er Das Lied von der Erde ten doop. Het orkest besteedde veel aandacht aan contemporaine muziek en had als doelstelling om zoveel mogelijk lagen van de bevolking te bereiken.    

   In 1900 richtte Löwe in Wenen de Concertverein op (thans de Wiener Symphoniker). Deze had dezelfde twee hoofddoelstellingen als het orkest in München. Tot de eerste premières behoorden die van Bruckners Negende symfonie, Schönbergs Gurrelieder en Ravels Pianoconcert voor de linkerhand.  

   Met beide orkesten heeft Ferdinand Löwe Schlegels Vioolconcert uitgevoerd met Henri Marteau als solist.

28 juli 2013

 

 

Mandyczewski, Eusebius

 

 

Reissenberger-Umling, Adele, zie: Umling, Adele  

 

 

de Strozzi, Maja (Maja Marquise von Strozzi) (1881-1962)

     In 1902 en 1903 werden er vier liederen uit Schlegels opus 20 in Wenen uitgevoerd door, zoals op de programma's staat vermeld, Maja Marquise von Strozzi. Ik ga ervan uit dat dit de verduitste naam is van de Kroatische zangeres Maja de Strozzi.

   Maja de Strozzi werd in in 1881 geboren in Zagreb als dochter van de Kroatische actrice (van Moravische afkomst) Marija Ruzicka en Ferdinand Marquess Strozzi. Zij was een vooraanstaande operazangeres, en dat niet alleen aan de Opera van Zagreb. Tot haar glansrollen behoorden Lucia en Violetta. Zij overleed in 1962 in Rijeka. De Kroatische componist Boris Popandopulo (1906-1991) is haar zoon.

   Stravinskij schrijft over haar in zijn autobiografie: "During the winter [1919] I made the acquaintance of a Croat singer, Mme Maja de Strozzi-Pecic, who had a beautiful soprano voice. She asked me to write something for her, and I composed Four Russian Songs on folk poems that Ramuz translated for me". Volgens het manuscript zijn de liederen overigens geschreven tussen december 1918 en oktober 1919.

   Thomas Mann legt in Doktor Faustus (1947), in een in 1923 gesitueerde passage, het personage Saul Fitelberg de volgende woorden in de mond: "Meine Freundin, Madame Maja de Strozzi-Pecic, eine Kroatin, heute vielleicht die schönste Sopranstimme beider Hemisphären, wird es sich zur Ehre rechnen, diese Sachen zu singen".

   Ik heb nog niets kunnen achterhalen over een verblijf in Wenen. Het zou op zich niet ondenkbaar zijn dat zij, na haar studie in Zagreb, daar nog gestudeerd heeft, bijvoorbeeld bij Josef Gänsbacher, die haar in de concerten begeleidde. En dat zij helemaal aan het begin van haar carrière - zij debuteerde in 1901 - liederen van Schlegel van hem gekregen heeft.

16 juli 2013  

 

 

Tonkünstler-Verein, Wiener

 

 

Umling, Adele (1882-1933)

     Adele Umling was afkomstig uit Siebenbürgen, al eeuwenlang een Duitssprekende enclave in Roemenie met als centrum de universiteitsstad Hermannstadt, in het Roemeens: Sibiu. Na haar studie bij Carlotta Leria aan het Conservatorium van Boekarest vertrok zij naar Wenen. Zij studeerde daar van 1907 tot 1909 aan de Akademie für Musik und darstellende Kunst bij professor Franz Haböck, onder wiens hoede zij bleef tot haar vertrek uit Wenen in 1919. Met Albert Reissenberger, met wie zij in 1912 gehuwd was, en hun eerste zoon keerde zij toen weer terug naar hun geboortegrond. Van 1919 tot haar vroege dood in 1933 woonden ze, sinds 1921 met een tweede zoon,  hoofdzakelijk in Hermannstadt. Adele gaf daar les, maar bleef tegelijk optreden als lied- en oratoriumzangeres, niet alleen in Roemenie maar ook in Duitsland en Oostenrijk. Naast het gangbare Duitse liedrepertoire zong zij ook werk van Roemeense componisten.

     Na haar dood heeft haar echtgenoot, als herinnering voor hun kinderen, in eigen beheer een boek uitgegeven, waarin naast foto's en afbeeldingen, haar optredens, programma's, recensies, en ook briefwisselingen zijn afgedrukt. Adele Umling was een van Schlegels Weense zangeressen en het is leuk om te lezen dat zij een aantal van zijn liederen op het repertoire gehouden heeft. Ook zijn enige brieven van Schlegel aan haar afgedrukt. De volgende uitvoeringen vinden we in het boek terug:

Wenen, 24 oktober 1911, Liederabend met werken van Schubert, Wolf, Schlegel (6 liederen uit opus 20), Strauss en Mahler ("Mit schönen Liedern Schuberts, Wolfs, Schlegels, Strauß und Mahlers entzückte Adele Umling die Freunde ihrer Gesangskunst"; "Seit ihrem letzten Auftreten haben ihre Kopftöne noch gewonnen, während der schöne Vortrag, wie er zum Beispiel in Wolfs mit vollem Verständnis wiedergegebenen "Nun bin ich dein" oder in Schlegels mit Seele gesungenen "Mir ist nun ich dich habe" erfreulicherweise der gleiche geblieben ist".)

Op 10 april 1912 werkte Adele Reissenberger-Umling mee aan een Schlegel-matinée in Wenen, waarover de pers schrijft: "In der Matinée Leander Schlegel sang Frau Reissenberger-Umling Lieder des genannten Komponisten mit vornehmer Künstlerschaft. Beifall fanden die Lieder "Bitte" und "Wo ich bin, mich rings umdunkelt", nach welchen sich Frau Reissenberger-Umling zu einer Zugabe genötigt sah".

Kronstadt, 2 december 1912, Liederabend met o.a. 3 liederen uit opus 20

Brünn, 15 maart 1914, Schlegel-herdenkingsconcert: 6 liederen uit opus 20 ("Immerhin hat Schlegels Kunst schon glühende Verehrer und eifrige Verkünder gefunden und zu diesen gehört auch die Sängerin Frau Adele Reissenberger-Umling aus Wien, welche in diesem Konzerte mitwirkte. Ihr wohlklingender Sopran von hellem Timbre und bester Schulung gibt alle Regungen ihrer warm empfindenden Seele restlos wieder und so war der innige Kontakt mit ihrer Zuhörern sogleich hergestellt. Mit gleich vollendeter Kunst schöpft Frau Reissenberger den Stimmungsgehalt aus den schwermütigen Liedern Schlegels, wie sie die edlen Linien Glucks'scher Melodik nachzuzeichnen versteht".)

Hermannstadt, 2 oktober 1920, Liederabend :5 liederen uit opus 20

Boekarest, 5 april 1922, Liederabend: 5 liederen uit opus 20 ("Besonders gefielen die Pianissimi, mit denen ein Stöhr-Lied ausklingt und die Art, wie einige Lieder von Schubert und Schlegel wiedergegeben wurden".)

 

     In het boek zijn twee brieven van Leander Schlegel afgedrukt. De eerste is gedateerd: Overveen, bei Haarlem, 3. November 1911. Schlegel heeft vernomen dat Adele liederen uit zijn opus 20 gezongen heeft tijdens haar Liederabend op 24 oktober, complimenteert haar terloops met de keuze van twee Suleikaliederen (die van Schubert neem ik aan) en maakt haar erop attent dat hij in zijn liederen, na de uitgave ervan, nog enkele wijzigingen heeft aangebracht die zij per se moet overnemen. [Deze wijzigingen staan ook ingeschreven in het exemplaar van Anna Kappel en zijn overgenomen in onze heruitgave van 2011.]

     "Hochverehrtes Fräulein Umling!

   Wenngleich ich diese Zeilen an Sie richte, um Ihnen meinen tiefgefühlten Dank für Ihre große, große Freundlichkeit, in Ihrem neulich abgehaltenen Liederabend mehrere meiner Lieder zu Ehren gebracht zu haben, abzustatten, so kann ich Ihnen dennoch nicht sagen, welche seltene, herrliche Freude Sie mir damit bereitet haben. Es ist immer eine Tat hochherziger Künstlergesinnung, garnicht, oder kaum gekannte Kompositionen von "Völkern, die noch im Dunkeln wandeln" zum Vortrag auszuwählen, weil sie sich noch nicht als hoffähig bewährt haben.

   Ich werde, leider, leider, vielleicht noch lange auf das Glück warten müssen, Ihre Gesangskunst aus persönlicher Überzeugung bewundern zu dürfen; jedenfalls haben Sie sich aber schon einen Ehrenplatz in meiner Hochschätzung erworben, daß Sie die beiden himmlischen Suleikalieder, an denen die Gesangswelt fast immer blind vorübergeht, in Ihr Programm aufgenommen haben. Dafür sei Ihnen noch ein besonderes, warmes "brava!" zugerufen.

   Da Sie sich meiner "Liebeslieder" so freundlich angenommen haben, so muß ich bemerken, daß ich im Lauf der Zeiten manche wesentliche Änderungen darin vorgenommen habe; wenn Sie daher so freundlich sein wollten, mir Ihr Exemplar zuzuschicken, so werde ich darin die Korrekturen sauber ausführen, worauf die Rücksendung möglichst bald erfolgen wird. Und wenn Sie noch andere von meinen Liedern kennen lernen wollen, so bin ich gerne bereit, sie Ihnen zuzuschicken.

   Vor allen Dingen aber nochmals meinen innigen Dank, im Verein mit den herzlichsten Grüßen Ihres Ihnen hochachtungs- und verehrungsvoll ergebenen

                                                                                                              L. Schlegel"

 

     Klaarblijkelijk heeft vervolgens Julius Epstein in Wenen een en ander praktisch opgelost. Hij schrijft op 25 november aan Adele Umling:

     "Sehr geehrtes Fräulein!

   Mein Freund Schlegel bittet mich Ihnen das beifolgende zu übergeben. Wenn Sie wollen, bitte mein Exemplar der Liebeslieder zu behalten und mir das Ihrige zu senden oder die Änderungen in das Ihrige einzutragen. Unter den anderen Liedern befinden sich manche "Perlen". Wie gerne würde ich sie von Ihnen hören!

                                                                                                              Hochachtend

                                                                                                              Ihr sehr ergebener

                                                                                                              Julius Epstein"

 

     Op 21 april 1912 schrijft Schlegel Adele Reissenberger-Umling een dankbrief naar aanleiding van de Schlegel-Matinée die op 17 maart in de Bösendorfersaal in Wenen gegeven werd en waaraan zij haar medewerking verleende. Schlegel was daarbij aanwezig, maar vertrok meteen met Marteau die de volgende dag zijn Vioolconcert uitvoerde in München en klaarblijkelijk daarna ook nog in Mainz.

     "Hochverehrte Frau Reissenberger!

   ich habe fortwährend eine so unheimliche Menge von Korrespondenzen, daß ich kaum zu übersehen vermag, welches Schreiben zuerst in Angriff genommen werden soll, und welche Antwort noch zu erledigen ist. So ist's mir, beispielsweise, völlig entgangen, ob ich Ihnen schon einen schriftlichen Rückblick auf die schöne Matinée vom 17. März vor. Monates nachgeschickt habe oder nicht. Es ist aber auch um ganz außer Fassung zu geraten. Da kamen erst München und Mainz mit Konzerten von Marteau auf der Heimreise; dann die Über- und Aufnahme verschiedenen Schüler und Schülerinnen einer früheren Schülerin von mir, weil dieselbe ihren Unterricht aufgeben mußte, wegen ihrer Verehelichung nach dem Auslande. Sie wissen gar nicht, welch ein mühseliges Gefüge das ist, für die heranwachsende Jugend freie Schulstunden zu finden, die auch ihren Herren Eltern passen. Nebenbei mußte ich an die Partitur meiner Symphonie arbeiten, weil dieselbe baldigst nach Wiesbaden und später nach Wien muß. Dann spielte ich Zeuge bei der erwähnten Heirat und war einige Tage krank. Bald zerrt man an mich um Bilder, Verzeichnisse meiner Kompositionen, bald um ein Autograph.

   Doch gleichviel, ob ich Ihnen schon schriftlich für den entzückenden Vortrag meiner Lieder innigst gedankt habe oder nicht, es geschehe hier aufs neue, und es freut mich unendlich, Ihnen sagen zu können, daß mein Freund Marteau ebenfalls voller Bewunderung für Sie war, und der ebenfalls verwöhnte, strenge Richter, Max Kalbeck, neben dem ich saß, während Ihres Singens manches Wort der schönsten Anerkennung dazwischen warf.

   Sie haben aber auch so ein tiefes und wahres Verständnis für mein musikalisches Empfinden bekundet, daß ich meine eigene innere Stimme daraus tönen hörte. Mit dem wärmsten Interesse werde ich dem ferneren Flug Ihres Künstlerlebens stets folgen, und spreche ich hier gleich den tiefgefühlten Wunsch aus, daß derselbe Ihnen (nebst dem in Ihrem eigenen Heim) zum Paradiese erblühen möge.

   Indem ich Sie nun schließlich bitte, sich mit Ihrem Herrn Gemahl in meinen herzlichsten Grüßen teilen zu wollen, verbleibe ich in aufrichtigster Verehrung und Hochschätzung

                                                                                                              Ihr ganz ergebener

                                                                                                              L. Schlegel"

28 juli 2013