Netwerk

 

 

 

van Asbeck-Kluit, Anna (baronesse)

 

 

Assmann, Adele

     De alt Adele Assmann was een leerlinge van Julius Stockhausen. Het is dus niet verwonderlijk dat we haar nadrukkelijk in de omgeving van Johannes Brahms tegenkomen. Zo was zij een geliefd vertolkster van diens 'Alt-rapsodie', die zij meermaals onder zijn leiding uitvoerde. Op 22 oktober 1878 gaf zij in Breslau de eerste uitvoering van één van Brahms' mooiste liederen: 'O kühler Wald' opus 72 no.3. De dichter Klaus Groth schreef in 1880 over haar aan Stockhausen: "Gern hörte ich Fräulein Adele Assmann singen, die nicht wie Henschel und Andere "à la Stockhausen" singt, sondern wie mir scheint, in seinem Geiste" (geciteerd uit: Julius Stockhausen. Der Sänger des deutschen Liedes, 1927, p.461).

   Als oratoriumzangeres was zij te horen in de Matthäus Passion van Bach, maar opmerkelijk genoeg ook, tijdens het 45e Niederrheinische Musikfest in 1877, in een uitvoering van Verdi's Requiem onder leiding van de componist.

   Schlegel droeg zijn liederen opus 6 no.1 & 2 aan haar op.

12 juli 2013

 

 

de Booij, Mik (1856-1927) en Hendrik (1867-1964)

     Mik de Booij wordt in de Nederlandse literatuurgeschiedenis vaak in één adem genoemd met Henriette Ortt en de drie dochters, met name Martha, van Vloten. Ze waren leerlingen geweest van de Burgerschool voor meisjes in Haarlem - de eerste in Nederland, opgericht in 1867 - en Johannes van Vloten en Elisabeth van Gennep hadden als vooruitstrevende ouders zelfs doelbewust voor Bloemendaal als nieuwe woonplaats gekozen om de meisjes naar deze nieuwe school te kunnen laten gaan. Later zou de familie naar een door Cuypers ontworpen villa aan het Haarlemse Florapark verhuizen.

Een tijd lang scheen er een mogelijke huwelijksrelatie in te zitten tussen Henriette Ortt en Frederik van Eeden, maar uiteindelijk leek vooral de totaal verschillende betekenis die religie in hun beider levensvisie had een te grote hinderpaal. Dat geldt trouwens ook voor de relatie tussen Mik en Daniel de Clercq. We kunnen daarover het een en ander teruglezen in de dagboeken van Van Eeden, die uiteindelijk met Martha van Vloten zou trouwen.

In diezelfde dagboeken lezen we ook over Miks pianospel, met name op 14 december 1876: "... Gisteren kunstbeschouwing en daarna speelde Mik bij Ortt [, woonachtig aan het Spaarne,] en we draaien de lichten uit en lagen op luie stoelen maar ik genoot zooals ik zelden doe. Zoo rustig, zoo liefelijk was het. Ik droomde ervan". 

   Uit de mémoires van Miks jongere broer Hendrik weten we dat zij een pianoleerlinge van Schlegel was. Hij vertelt daarin hoe zij hem als goed opgeleide oudere zus allerlei kennis bijbracht en voegt daaraan toe: "Ze had zich ook onder Leander Schlegel die mij eens zeide, dat Mik zijn beste leerlinge was, bekwaamd tot ene uitstekende pianiste".

De vader van Mik (eigenlijk Jeanne Marie) en Hendrik was in 1852 door koning Willem III aangesteld als notaris gevestigd te Beverwijk. In 1857 werd hij overgeplaatst naar Haarlem. In 1860 is het gezin daar ook gaan wonen. Hendrik schrijft dat het huis aan de Grote Houtstraat - toen nog een woonstraat - , waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht, Frederik van Eeden als voorbeeld gediend heeft bij de beschrijving van de woning van de hoofdpersoon in zijn roman Van de koele meren des doods, zoals hij ook suggereert dat de aristocratische Henriette een inspiratiebron geweest zou zijn voor die hoofdpersoon: Hedwig Marga de Fontayne. 

     Hendrik zelf maakte een carrière als marine-officier en bracht behoorlijk wat tijd door in het voormalige Nederlands-Indië. In 1903 werd hij om gezondheidsredenen afgekeurd. In 1904 werd hij administrateur bij het Concertgebouworkest en van 1905 tot 1951 was hij er bestuurslid. Een van zijn medebestuursleden was Charles Boissevain, broer van zijn vrouw Hilda met wie hij in 1897 getrouwd was. Hendrik heeft ook de overbekende foto's gemaakt waarop we Mahler, Diepenbrock en Mengelberg verenigd zien.

Op 12 februari 1912 schrijft hij in zijn dagboek: "Vergadering concertbesturen - zeer langdradig geklets over het engageren van 5 solisten. ... 's avonds diner bij van Laer, waarvoor Ogtrop het menu heeft gemaakt, prachtig diner. Mr. dr. baron P. Th. (nog een paar voorletters) Creutz, wordt flink dronken. ... Ik zit tussen Schlegel, die altijd aangenaam jeugdherinneringen bij mij opwekt, hij looft Mik als zijn beste en meestbegaafde leerling, en Hodenpijl, die een brave kerel is. Mengelberg gaat 10 uur naar Londen".

     Mik wordt later directrice van Talitha Kumi, onderdeel van de Heldringstichtingen in Zetten, dat verwaarloosde en verlaten kinderen in christelijke geest probeert op te vangen. Zij overlijdt in Bilthoven.

   Schlegel heeft 'Im Nachsinnen', het derde deel uit zijn in 1894 uitgegeven opus 9, aan haar opgedragen. 

Mik de Booij op nog tamelijke jonge leeftijd Hendrik de Booij op latere leeftijd

6 augustus 2013

 

 

de Jonge van Campens Nieuwland - Witsen, Henriette, zie: Witsen, Henriëtta Jacoba

 

 

Kappel, Anna (1875-1967)

     Anna Kappel werd in 1875 geboren in Purmerend. Op haar negende werd zij wees en belandde zij in het Armenweeshuis.  De plaatselijke muziekschooldirecteur J.P. Groot gaf haar gratis les in piano, zang en algemene muziekleer, ze kreeg kosteloos lessen Frans en Duits en het weeshuis huurde een piano voor haar.
   In 1890 werd ze toegelaten tot de Koninklijke Muziekschool in Den Haag, na bemiddeling door de directeur van dat instituut, de componist W.F.G. Nicolaï. Na haar debuut in 1894 vertrok Anna in 1895 naar Berlijn om te studeren bij Lilli Lehmann, een van de meest vooraanstaande zangeressen en zangleraressen van die tijd.

     Op 30 september 1903 stuurt Anna Kappel vanuit Den Haag de volgende brief aan Leander Schlegel:

     Zeergeachte Heer.

     Ontvangt U mijn hartelijken dank voor Uwe liederen en voor de inzage van de liederen van Gänsbacher. Ik zal zoo spoedig mogelijk kennis maken met die liederen. En Uwe belofte om ook voor mij liederen te componeeren neem ik dankbaar aan. Ik kan U al vooruit schrijven dat ik ze zeker op concerten zal zingen, want wat van Uwe hand komt is mooi.

     Nu ik U toch schrijf, kan ik U wel even melden, dat mijn plan is Mevr. v. Asbeck te vragen een invitatieconcert in Amsterdam te geven om Uwe cyclus dan nog eens voor een uitgelezen publiek ten gehoore te brengen. Als U dit plannetje ook nogal aardig vindt, wilt U Mevr. v. Asbeck nog wel eens warm voor maken. Ik wil a.s. Zondag eens belet laten vragen bij haar en er dan eens over spreken.
     Nous verrons!

     Nogmaals mijn dank met hart. gr. ook s.v.p. aan Uwe vrouw en dochter.

          Hoogachtend

          Anna Kappel

   Voor zover ik kan nagaan heeft de eerste uitvoering van de Deutsche Liebeslieder opus 20, die “Frau Baronin Anna von Asbeck-Kluit zugeeignet” zijn, eind 1901 of begin 1902 in Den Haag plaatsgevonden. In ieder geval schrijft de Haagse correspondent van Caecilia: "Op een anderen namiddag-matinée droegen mevr. A. Baronesse  van Asbeck-Kluit en Mej. Anna Kappel o.a. den cyclus Deutsche Liebeslieder van Leander Schlegel voor, en gaven van dit poëtische werk eene vertolking, zooals de componist, die aanwezig was, het zich, dunkt mij, niet beter wenschen kan" (Caecilia, jrg. 60, 1902, 5, p.181). Ik weet niet of er nog iets van dat invitatieconcert terecht is gekomen. In 1904 verhuist Anna dan naar Frankfurt.
   Schlegel is zijn belofte nagekomen door zijn Drei Lieder opus 21 op te dragen aan Anna Kappel. Die heet bij het verschijnen van die liederen inmiddels Anna Stronck-Kappel, want in 1907 is ze in het huwelijk getreden met de oorspronkelijk Nederlandse maar tot Duitser genaturaliseerde dirigent en componist Richard Stronck. Tot 1923 wonen ze in Barmen, een stad met een niet oninteressant cultuurleven, waar Richard Musikdirektor van het symfonieorkest is (in 1929 zal Barmen met vier andere steden, waaronder Elberfeld, worden samengevoegd tot een Großstadt, die vanaf 1930 Wuppertal heet). Ze maakt een mooie carrière en treedt op onder dirigenten als Mengelberg, Furtwängler en Kleiber.
   In 1923 keren ze terug naar Nederland. Na de dood van haar man in 1929 beperkt Anna Kappel zich steeds meer tot lesgeven.

   Vast staat dat Anna Kappel de Deutsche Liebeslieder nog heeft uitgevoerd in Leeuwarden in 1906 en tijdens het grote Schlegel-concert in Haarlem in 1910. Bij die laatste gelegenheid heeft zij nog drie andere liederen van Schlegel gezongen, waarvan twee uit het aan haar opgedragen opus 21. Schlegel moet zeer ingenomen zijn geweest met haar uitvoeringen, want op haar exemplaar van de Deutsche Liebeslieder lezen we de handgeschreven opdracht: “Ter herinnering aan de onnavolgbare vertolking van de Deutsche Liebeslieder door Anna Stronck-Kappel van haren “begeisterten Verehrer” L. Schlegel”.

Anna Kappel overleed in 1967 op 91-jarige leeftijd.

Een sympathieke, met fraaie foto’s verluchte beschrijving van Anna Kappels leven is te vinden op internet: Jack Otsen, 'Anna Kappel: Purmerendse nachtegaal'.

11 november 2007, rev. 13 oktober 2013

 

 

Kluit, Anna, zie: van Asbeck-Kluit, Anna (baronesse)

 

 

Marteau, Henri

 

 

Stapelfeldt, Martha

     De alt Martha Stapelfeldt profileerde zich vooral als lied- en oratoriumzangeres. Zij gaf Liederabende gewijd aan het Duitse liedrepertoire, bijvoorbeeld in de Bechsteinsaal in Berlijn, en maakte deel uit van het Berliner Vocal-Quartett, waarmee zij ook in Nederland optrad. Als oratoriumzangeres zong zij vooral Bach, zowel de Passionen als cantates. In Amsterdam zong zij op 26 en 27 oktober 1904 de alt-solo in de Tweede Symfonie van Gustav Mahler bij het Concertgebouworkest onder leiding van de componist.

   Tijdens een Schlegel-concert in Berlijn op 18 februari 1911 zong zij de liederen opus 22 no.1 & 2 en opus 24 no.1 & 3.

11 juli 2013

 

 

Stronck-Kappel, Anna, zie: Kappel, Anna

 

 

Vink, Henri (1848-1925)

     Henri Vink werd in 1848 (op 13 mei, zegt één bron) of 1849 (zeggen alle andere bronnen, nog natrekken!) geboren in Haarlem. Hij was daar betrokken bij de opbloei van het (kamer)muziekleven, zoals die tot stand kwam onder leiding van Appy, Schlegel en Schmölling. Ook nam hij er in 1873 met Schlegel het initiatief tot een Wagner-Vereniging.

   Vanaf 1875 was hij werkzaam in Dordrecht. Van 1875 tot 1879 dirigeerde hij er de zangvereniging van Toonkunst, waar hij werd opgevolgd door Willem Kes, later de eerste dirigent van het Concertgebouworkest. Van 1888 tot 1903 was hij directeur van de Dordtse muziekschool. Hij organiseerde veel kamermuzieksoirées, zowel alleen als later samen met Kes.

   Hij overleed in Dordrecht in 1925.

   Henri Vink droeg zijn pianotrio opus 2 (vermoedelijk 1877, uitgave 1878-1880) op aan Leander Schlegel, die het ook uitvoerde. Verder componeerde hij onder meer een Pianokwintet in d opus 5, een Cellosonate en In der Fremde voor cello en piano (vindplaats onbekend), en koorwerken als Door het woud opus 3 en Der Triumph der Liebe.

17 augustus 2013

 

 

Witsen, Henriëtta Jacoba (1875-1959)

     Henriëtta Jacoba Witsen werd in 1875 in Amsterdam geboren als telg uit de bekende Witsen dynastie. De vooraanstaande schilder en fotograaf Willem Witsen (1860-1923) was haar oom, haar vader Jonas Jacobus Witsen (1849-1928) was diens oudere broer. Haar grootvader Jonas Jan Witsen (1819-1901) was bestuurslid van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Onder meer violist Josef Cramer, met wie Schlegel geruime tijd een pianotrio vormde (eerst met Ernest Appy, later met Henri Bosmans als cellist) was een van diens muzikale huisvrienden. Johannes Brahms en Johannes Verhulst waren gasten op de huisconcerten die hij en zijn zingende vrouw Jacoba Elizabeth Bonekamp (1826-1873) organiseerden. Henriëtta's moeder, Louisa Wilhelmina Henriëtta van Vloten (1854-1888), overleed toen Henriëtta dertien jaar was.

   Henriëtta bezocht de HBS in Haarlem en huwde er in 1898 met Bonifacius de Jonge van Campens Nieuwland. Afkomstig uit Middelburg, was deze, na zijn studies in Leiden, gemeente-ontvanger van Bloemendaal geworden. In 1906 verliet Henriëtta haar man en drie kinderen en in 1909 werd de scheiding uitgesproken.

   Van 1913 tot 1922 was zij getrouwd met de Rotterdamse autohandelaar Pieter Overgauw. In die periode deed zij eindexamen piano aan het Conservatorium van Berlijn. Na haar tweede scheiding woonde zij een tijd in bij haar vader in Amsterdam. Van 1946 tot 1959 leefde zij op Walcheren, afwisselend in Oostkapelle en Domburg.

     Henriëtta's composities, vooral pianowerken en liederen, waarvan een aantal tijdens haar leven in druk is verschenen als opus 1 t/m 4, worden bewaard in het Zeeuws Museum te Middelburg. Zij zijn gecomponeerd tussen 1893 en 1927 in een taal die de invloed van Schumann en Chopin verraadt.

   Schlegel heeft zijn Tweede Ballade voor piano opus 11 "Freifrau Henriette de Jonge van Campens Nieuwland - Witsen zugeeignet". Aangezien Schlegel contacten met de familie Witsen onderhield, kan hij haar als lid van die familie gekend hebben, maar het kan ook zijn dat hij in Haarlem met haar in aanraking is gekomen. In ieder geval mogen we aannemen dat zij zijn leerlinge is geweest. Op de twee in het Schlegel-archief aanwezige programma's van uitvoeringen door leerlingen van de Soloklassen der Muziekschool van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst komen we haar naam tegen: op 31 januari 1896 wordt Schumanns Faschingsschwank aus Wien uitgevoerd door H, Witsen, en op 29 januari 1898 speelt Mej. H. Witsen het eerste deel uit het Pianoconcert van Grieg (de partituur bevindt zich nog in het Witsen-archief in Middelburg).

11 februari 2008; het merendeel van de informatie is ontleend aan: Albert Clement & Hans Clement, "Henriëtta Jacoba Witsen 1875-1959. A female composer with a fortunate gift", in: Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, VII-I, 2007.